J.S. 't Hart: Verticale prijsbinding, zorgplicht en dwaling in het kort: een voorbeeld uit de praktijk
Datum: 25-05-2011Onlangs is er vonnis gewezen inzake een langlopend juridisch geschil waarbij een grote diversiteit aan aspecten op het gebied van franchiserecht aan de orde is gekomen.
Zo had het geschil onder meer betrekking op verticale prijsbinding, hetgeen een verboden, nietige, mededingingsrechtelijke beperking (ook wel “hardcore restrictie” genoemd) betreft in de zin van artikel 4 van de EG Verordening nr. 2790/1999 Groepsvrijstelling verticale overeenkomsten alsmede artikel 6 Mededingingswet (Mw). Een partij die een beroep doet op de nietigheidssanctie van artikel 6 Mw dient te stellen – en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de wederpartij te bewijzen – dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan. Deze vereisten zijn:
- er is sprake van een overeenkomst (of een onderling afgestemde feitelijke gedraging);
- tussen ondernemingen;
- die ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Daarnaast dient de partij die een beroep doet op de nietigheidssanctie te stellen dat sprake is van een merkbare verstoring van de mededinging in de desbetreffende markt.
In geschil waren de adviesprijzen die door de franchisegever op grond van de franchiseovereenkomst mochten worden voorgeschreven. De franchisenemer stelde dat afwijking van deze adviesprijzen in de praktijk niet mogelijk zou zijn en dat franchisegever de te hanteren minimum verkoopprijzen dwingend zou voorschrijven (het voorschrijven van vaste- en minimum verkoopprijzen is niet toegestaan, het voorschrijven van advies- en maximum verkoopprijzen wel). De rechtbank oordeelde dat een dergelijke beschuldiging een zware bewijslast met zich meebrengt en concludeerde vervolgens dat hieraan door franchisenemer niet was voldaan. Daarnaast was evenmin gesteld dat sprake zou zijn van een merkbare verstoring op de relevante markt.
Aan de orde kwam tevens de zorgplicht van de franchisegever, die volgens de franchisenemer door franchisegever zou zijn geschonden. De franchisegever zou tekort zijn geschoten in het verlenen van voldoende ondersteuning, advies en bijstand en franchisenemer zou de geprognosticeerde omzetten niet hebben kunnen realiseren. De rechtbank heeft in dat kader verwezen naar vaste jurisprudentie waarin is bepaald dat uit de aard van de franchiseovereenkomst volgt dat de zorgplicht van de franchisegever met zich meebrengt dat indien de geprognosticeerde omzet niet wordt gehaald de franchisegever de verplichting heeft de franchisenemer advies en bijstand te verlenen om te komen tot een situatie die recht doet aan de franchiseovereenkomst, te weten een overeenkomst waarvan beide partijen profijt hebben. De rechtbank oordeelde echter in dat kader aanvullend dat franchisenemer had nagelaten concreet te vermelden op welke gebieden advies en bijstand niet zouden zijn geboden en in welk opzicht franchisegever daarin zou zijn tekortgeschoten. De franchisenemer had kortom onvoldoende aan haar stelplicht voldaan.
Het leerstuk dwaling werd eveneens behandeld. De franchisenemer stelde namelijk dat zij bij het aangaan van de franchiseovereenkomst door franchisegever misleid, althans onjuist en onvolledig zou zijn voorgelicht over de winstgevendheid van de franchisevestiging en bij een juiste voorstelling van zaken de franchiseovereenkomst niet zou zijn aangegaan. Volgens de franchisenemer zou franchisegever prognoses hebben opgesteld zonder een deugdelijke onderbouwing of berekening. Ook hiertegen heeft franchisegever gemotiveerd verweer gevoerd met als gevolg dat het oordeel van de rechtbank luidde dat een franchisenemer zich er niet op kan beroepen dat een onderbouwing van prognoses ontbreekt indien zij uiteindelijk zelf heeft besloten om de franchiseovereenkomst aan te gaan, terwijl zij niet bekend was met nadere gegevens. Uit het vonnis komt naar voren dat bij een beroep op dwaling zwaar gewicht wordt toegekend aan de eigen verantwoordelijkheid en het zelfstandig ondernemerschap van de franchisenemer en dat tevens de stelplicht in dat kader van zwaarwegend belang is. Een franchisenemer kan zich er niet zomaar op beroepen dat geprognosticeerde omzetten niet zijn behaald. Daar is meer voor nodig.
Uiteindelijk zijn alle (zeven) vorderingen van de franchisenemer afgewezen en is de tegenvordering van franchisegever toegewezen met als gevolg dat nogmaals door ons geconcludeerd wordt dat indien een partij voornemens is een andere partij in rechte te betrekken, het van eminent belang is dat deze partij zich vooraf goed beseft dat het louter stellen van een beweerdelijke tekortkoming niet voldoende is en het tevens noodzakelijk is dat de stellingen deugdelijk onderbouwd moeten kunnen worden. Het advies luidt dan ook dit voorafgaand aan het entameren van een voor beide partijen langdurige en kostbare procedure goed in kaart te brengen, omdat na het nemen van vorenomschreven stap het veelal niet mogelijk is om daarop tussentijds en kosteloos terug te komen.

Advocaat bij Hart Legal Franchise Advocaten
Bron: Franchise+
« terug naar nieuws overzicht




